Bali
Maandag, 26 Augustus 2013
We komen net terug van de kapper. Nog even gefatsoeneerd voor we weer vertrekken richting Zuid Afrika. We hebben ons ook laten verwennen met een massage. We zijn weer helemaal fit.
Ongeveer vier weken zijn we op Bali geweest. Op 31 Juli voeren we van Gili Gede (Lombok) naar Serangan Harbour (Bali), waar we een meerboei toegewezen krijgen van de Royal Bali Yachtclub. Ruth, die onze papieren regelde voor Indonesie, heeft daar haar kantoor. Ze regelt nog een paar extra stempels (eigenlijk niet nodig, omdat we al in Indonesie ingeklaard zijn en al een Cruising Permit hebben). Made is haar maatje. Hij is onze watertaximan en zal zorgen voor het vullen van de gastanks.
Het water in Serangan is erg onrustig. Met een beetje wind staan er al snel puntige golven, waardoor we bijna elke keer, als we met de watertaxi terugkomen, flink nat zijn. We willen verhuizen naar Bali Marina (Benoa Harbour), in de hoop dat het daar wat rustiger is. Helaas zijn onze gastanks nog niet teruggebracht. Thijs gaat met Made achterop de scooter naar het gasvulstation om te zien wat er loos is. In verband met een plaatselijke ceremonie blijkt alles vertraagd. Later leren we, dat er op Bali voortdurend ceremonies zijn, die altijd voorrang hebben en waardoor altijd alles vertraagt. Toch vertrelkken we vrijdag rond het middaguur naar de marina. Made belooft ons de gastanks de volgende dag te brengen. Hij doet dat overigens stipt. We hebben nu weer ca. 25 kg gas aan boord.
Hoewel je je kan afvragen hoe de stijgers aan elkaar blijven hangen is Bali Marina een prima plek. Er is water en walstroom en een restaurant en een taxiritje naar Sanur kost maar RPI 50.000 . We laten er de boot schoon soppen en opnieuw in de was zetten.
Vrijdag avond is het zover en kunnen we Nina en Sander, en Kaan en Sten ophalen op het vliegveld. Heerlijk om elkaar weer te omhelzen. Ze hebben een appartement in Sanur gehuurd. We maken excursies naar tempels, naar Ubut en zien mooie rijstvelden. We vieren de verjaardag van Debby aan boord van de Boomerang. We zeilen samen en met de Seaquest naar de zuidelijke Gili eilanden van Lombok. We genieten van zwemmen en snorkelen en Kaan en Maren vinden elkaar.
Op 19 Augustus zwaaien we Sander en Nina, en Kaan en Sten weer uit. We zullen ze weer een poosje moeten missen.
Intussen is het ook tijd geworden voor de nodige reparaties. De dynamo is defect geraakt en het is niet eenvoudig om in Indonesie een nieuwe te krijgen. Gelukkig blijkt hij gerepareerd te kunnen worden. Nieuwe diodes en nieuwe wikkelingen, en dan doet alles het weer.
Inmiddels liggen we in Bali Marina met drie Nederlandse boten naast elkaar: de Seaquest, Duchess en Luna Verde. We hebben een gezellige tijd en wisselen ook veel technische ervaringen uit.
Met z’n allen doe we een kookcursus bij “Bumbu Bali”, wat ons bezoek aan Bali compleet maakt. Daarvoor gaan we ’s ochtens om zes uur al naar de groentemarkt in Jimbaran om verse kruiden te kopen en naar de vismarkt. Onder begeleiding van een zeer geroutineerde kok in een prachtige Balineese omgeving maken we 20 recepten, die we voor de lunch op tafel krijgen. Het smaakt zo bijzonder goed, dat we het restaurant ervan verdenken dat we niet alleen de gerechten die we zelf gemaakt hebben voorgeschoteld krijgen.
Op Dinsdag 27 augustus zwaaien we naar Leo en Karen van de Duches en vertrekken we met de Seaquest naar Christmas Island.
Komodo, Sumbawa en Lombok
Gili Gede, maandag 29 juli 2013
Het is lang geleden dat we aan de wind gevaren hebben. We vliegen met 9.5 knopen (2 knopen stroom mee) langs de westkant van Lombok, 25 mijl van Gili Air naar Gili Gede. De zee is vlak, geen gestamp, geen gerol, 20 graden helling en alleen het ruisen van de boeggolf. Zo moet zeilen bedoeld zijn.
Vanochtend hebben we voor even afscheid genomen van de Seaquest en zijn alvast vooruit gevaren richting Bali, met een tussenstop op Gili Gede bij Marina del Ray om te proberen onze diesel voorraad weer wat aan te vullen. Door al het motorzeilen van de afgelopen weken is de dieseltank behoorlijk leeggeraakt en hebben we de 200 liter diesel uit de jerrycans aan dek overgeheveld in de hoofdtank.
Een week geleden, zaterdag 20 juli, zijn we van Rinja, waar we voor het eerst een Komodo draak op het strand zagen, naar Pantai Merah gevaren. Voor “Pink Beach” ankeren we naast de Seaquest en de Boomerang. Als ook nog de “Lady of the Lowlands” zich erbij voegt liggen we er met vier Nederlandse schepen.
Het is er heerlijk. We zwemmen en snorkelen. We genieten van een fantastische hoeveelheid kleurrijke vissen en bijzonder mooi koraal. Na een nachtje vertrekken we richting Labuhan Bajo op Flores. Het begint hier wat meer toeristisch te worden en we ontmoeten ook diverse Nederlanders op vakantie. Onderweg stoppen we bij Sok Kuas, waar een ranger ons begeleid door het park, op zoek naar Komodo varanen.
We komen er een paar tegen en houden gepast afstand van deze gevaarlijke vleeseters. Door de giftige bacterieen in hun bek is een beet meestal dodelijk. Ze zijn echter absoluut niet in ons geinteresseerd, of lijkt dat alleen maar zo?
Bij Labuan Bajo ankeren we voor het Laprima Hotel. De volgende ochtend met de taxi van het hotel naar de stad. Op de markt kunnen we onze inmiddels uitgeputte voorraad verse groente en fruit weer wat aanvullen. ’s Middags door naar Gili Lawa Laut, alweer een aantrekkelijke plek voor duiken en snorkelen. Als we er aankomen staat er echter een onaangename deining in de ankerbaai. Met de Seaquest besluiten we om naast het eiland een ankerplekje to zoeken op wat rustiger water.
Ook de Boomerang zoekt deze wat rustigere kant van het eiland op. De kust is er wel stijl en met enige moeite lukt het om het anker vast te trekken op 10 meter diepte.
We liggen achter 40 meter ketting met 30 meter water onder de kiel. We slapen wat onrustig hopend dat het anker houdt op de stijle helling onder water. De volgende ochtend worden we omringd door een stuk of vijf Indonesische klippers die met toeristen gaan duiken. Wij zelf laten ons met drie dinghy’s aan elkaar op de stroom tussen de eilanden Gililawa Laut en Gililawa Darat door snorkelen. Erg spannend. We zien geen mantha’s, die er zouden moeten zijn, maar wel een haai. Leuk, maar dit zouden we zonder de jonge lui om ons heen niet hebben gedaan.
Als we de volgende dag willen vertrekken wordt het snel duidelijk waarom we zo goed op ons anker zijn blijven liggen. We halen een heel groot brok koraal omhoog, dat goed blijft vastzitten aan het anker. Als we er een lijn omheen slaan en het anker laten zakken, schiet het brok koraal los en kunnen we verder richting Wera.
Na een koffie-stop bij het mooie eiland Banta zijn we tegen het einde van de middag bij Sangean. Het dorpje met zo’n 1000 inwoners lag eerst op de gelijknamige vulkaan, maar is bij een uitbarsting recent verplaatst naar de kust van Wera. Wellicht daardoor maakt het een meer geordende indruk met netjes afgebakende pecelen, hoewel niemand zich zorgen lijkt te maken om de grote hoeveelheid afval langs de kant.
Op het strand worden houten schepen bebouwd. Op een traditionele wijze zonder dat er spanten aan te pas komen.
We worden al snel door tientallen kinderen omringd als we door het dorp lopen.
Vrouwen weven sarong’s en hebben kleine winkeltjes, de mannen vissen en bewerken het land.
We worden uitbundig uitgezwaaid als we met veel moeite met de dinghy door de branding weer vertrekken. Een nat pak hoort er steevast bij.
De volgende ochtend, donderdag 25 juli, naar Pulau Satonda en Kanangu. Het is mooi zeilen met 10-20 knopen wind over vlak water achter langs het eiland Sumbawa.
Ook bij Kangu is de kust weer stijl. Hier maken we een stop voor de nacht. Ons anker ligt bijna op het strand, op 3 meter water, terwijl de boot 30 meter water onder de kiel heeft.
Deze keer houdt het niet. We worden wakker van vreemd geklots van golven tegen de romp. Dan blijkt dat we inmiddels een mijl uit de kust gedreven zijn en het anker aan 45 meter ketting werkeloos onder de boot hangt.
Het lukt ons om in donker toch weer terug te komen langs onze track op de plotter. Als we daar aankomen is John van de “Boomerang” wakker geworden. Hij helpt ons vanuit zijn dinghy een betere ankerplek te vinden. Uiteindelijk zoeken we om 3 uur ‘s nachts ons bed weer op.
Vrijdag 26 juli varen we naar het eilandje Pulau Moyo. Net voor donker gaan we aan de westkust samen met de Seaquest voor anker voor het Amanwana resort, vlak naast een indrukwekkende houten schoener, de Mutiara Laut.
Tot onze verrassing worden we in het Nederlands opgeroepen. Leo van Oostenbrugge nodigt ons uit om aan boord wat te komen eten en drinken. Hij heeft de schoener in Indonesie gebouwd.
De Mutiara Laut is meer dan 40 meter lang en bijna 10 meter breed (www.mutiaralaut.com), van alle gemakken voorzien met zeer luxe accomodatie voor 14 pasagiers. Er zijn 13 bemanningsleden en er blijkt een zeer goede “chef” aan boord.
Ze verwachten morgen nieuwe passagiers, die zich een week gaan laten verwennen.
Wij vinden het een hele leuke verrassing om na een lange dag zeilen op zo’n prachtig schip heerlijk te eten.
Als de volgende dag de nieuwe passagiers zich met een watervliegtuig laten brengen, gaan wij nog een heerlijk middagje lux doen in het resort. Na de lunch maken we gebruik van van alle faciliteiten om uitgerust en voldaan zondagavond om 7 uur te vertrekken naar het eilandje Gili Air voor de westkust van Lombok.
.
Weer hebben we wisselende wind, varen zelfs een paar uur 45 graden aan de wind en we komen de volgende dag om ca. 10:00 uur aan.
Gili Air is een leuk rustiek vakantie-eiland. We laten ons in paard en wagen rond het eiland rijden en eten in een van de vele restaurantjes.
Maandag 29 juli gaan we weer verder. We laten de Seaquest eventjes achter, terwijl wij naar Gili Gede varen, een Gili eilandje voor de zuidwest kust van Lombok.
Daar is “Marina del Ray”, gerund door Ray la Fontaine, een Australier. Hij heeft er 8 meerboeien en biedt alle denkbare services. De tegenstelling met Gili Air is groot. Hier is geen toerist te bekennen.
We zijn inmiddels bijna door onze dieselvoorraad heen en bestellen 700 liter. Ray garandeert dat de brandstof van goede kwaliteit is.
De diesel wordt aan boord gebracht in tankjes van 25 liter, die stuk voor stuk voorzichtig overgeheveld worden. Natuurlijk gaat dat niet helemaal zonder knoeien. Ook kunnen we niet voorkomen dat er diesel via de ontluchting van de tank onder onze vlonders terecht komt. Maar na een paar uur soppen is alles weer schoon.
Wij gaan met de dinghy naar de kant en maken een prachtige wandeling over een pad langs de kust. We komen langs diverse familie-nederzettinkjes en een klein dorpje met een heuse toko waar we bananen en dadels kopen.
Het strand ligt er vol met kleurrijke vissersbootjes. Dit zijn de bootjes die ’s nachts zonder licht varen en die je haast niet ziet op de radar. Overdag overdag ziet het er heel pitoresk uit.
Woensdag varen we naar Bali. Het gaat hard. Stroom mee en 12 knopen over de grond door de Selat Lombok. Op Bali kijken we uit naar de komst van Nina, Sander, Kaan en Sten.
Naar Indonesie
Voor de kust van Sumba, donderdag 18 juli 2013
We varen voor de kust van Sumba. De zon is net onder gegaan en had de hemel rood gekleurd. Inmiddels staat recht boven ons een halve maan. De wind is op en we hebben de motor gestart en de zeilen weer geborgen. We verwachten morgen rond het middag uur ten westen van Flores bij het eiland Rinja aan te komen. We zijn dan precies een week in Indonesie.
Zondag 7 juli waren we samen met de Seaquest vertrokken uit Fannie Bay bij Darwin, Australie. Er was weinig wind voorspeld in de Beagle Gulf. We besloten daarom de eerste 100 mijl te motoren om daarna in de Timor zee 18 knopen wind uit het zuidoosten te krijgen. Het bleek allemaal heel goed te kloppen.
Maandagochtend gaat de motor uit en zeilen we pal voor de wind. De Australsche customs komt nog even overvliegen. Ze vragen naar de “last port of call”, de “next port of call” en de “port of registration”. We zijn in Scheveningen geregistreerd en dat moeten we wel even spellen.
Met deze koers en wind varen we precies even hard als de Seaquest en blijiven we gezellig bij elkaar in de buurt. Er is hoge bewolking. Overdag wel aangenaam, want het tempert de zon, maar ’s nachts is het aarde donker. De maan is er niet en er zijn geen sterren te zien. De horizon is zwart. Het toplichtje van de Seaquest geeft aan dat we niet alleen zijn.
Rond middernacht is de wind weer op en gaan we op de motor verder. Vlak voordat het weer licht wordt, worden we nog even verrast door een onweersbui. Een flitsend spectakel. Door een graad of twintig uit te wijken gaan we er net langs.
Zo gaat het door. Een paar uur wind, een paar uur motor. Na drie dagen en 450 mijl naderen we Timor. Net als de zon opkomt, de lucht is nog roze, komen we terecht in een groep vissersboten. Er wordt uitbundig gezwaaid. Een hartelijk welkom.
Woensdag 10 juli om acht uur gaan we voor anker bij Kupang. De “Boomerang” en de “Lady of the Lowlands”, twee Nederlandse schepen, liggen er ook, en nog een Fransman. De klok gaat anderhalf uur terug. Napa, onze agent, roept ons al op. Hij heeft er begrip voor, dat we nog even willen uitrusten en opruimen en pas rond het middag uur met de papieren naar de kant komen.
Het waait stevig en het golft behoorlijk voor het strandje van Kupang. Het valt niet mee om droog aan de kant te komen. We worden door een groep jongelui geholpen om het bootje boven de vloedlijn te tillen. Ze willen ook graag op het bootje passen en doen dat voor minder dan twee kwartjes.
Napa, die voor ons het in- en uitklaren regelt, ontpopt zich als onze persoonlijke gids en touroperator. Heel efficient maakt hij ons wegwijs. Eerst naar de ATM-machine om geld te pinnen, dan naar de bank om het in kleine coupures te wisselen, dan in de bemo (een soort mini-van, waarin je zit op de dreunende luidspreker boxen) naar de “shopping mall”, dan wat eten en daarna naar de avond markt.
De drukte is enorm. Talloze scooters en bromfietsen, busjes en dikke auto’s. Tenslotte eten we wat bij Teddy’s Bar, een populaire ontmoetingsplaats voor zeilers. Als we in het donker terugkomen bij onze dinghy staan de jongens weer klaar om ons te helpen.
De volgende dag brengen we de was aan de kant , en Napa regelt dat alles netjes gestreken terugkomt. We maken een wandeling door het oude stadscentrum.
Vrijdag zijn de papieren klaar, maar we willen nog wat van het eiland zien. We vragen Napa om een auto te regelen en ons te brengen naar het marktstadje Baun, 30 km zuidoost van Kupang.
Volgens onze Lonely Planet is daar een koloniaal huis, waar oma nog Nederlands spreekt. Ook zou er een itak-weverij moeten zijn, maar de mensen blijken op dat moment aan het werk te zijn op het land. In plaats daarvan gaan we naar Oebelo waar door Pak Pah en zijn familie het traditionele muziekinstrument de Sasando gemaakt wordt. Pak trakteert ons op een uitbundig concert van 60-er jaren nummers. Op de terugweg bekijken we hoe hier zout uit zeewater gewonnen wordt en gaan we langs een vissersdorpje. Tenslotte gaan we weer terug aan boord om de volgende dag 40 mijl verder te varen naar Roti.
Roti ligt net ten zuidwesten van Timor en is bekend om zijn hagelwitte stranden en geweldige surf.
We proberen te ankeren in de baai Bibi, maar door het golvende water zijn de riffen niet goed te zien. De baai blijkt veel minder beschut dan we dachten en bovendien blijkt de electronische kaart een halve mijl verschoven ten opzichte van de GPS positie. We gaan 10 mijl verder de Korbavo-kreek in. De kreek is diep en we kunnen een heel eind doorvaren tot een beschut plekje, waar we net voor het donker ankeren. Hier liggen talloze drijvende flesjes met lijnen eraan, waaraan zeewier wordt gekweekt naar het lijkt. Als we de volgende ochtend willen vertrekken blijkt ons anker in die lijnen verstrikt en moeten we het lossnijden. We varen nog 10 mijl verder naar Baa, de hoofdstad van Roti, een slapend havenstadje met wat huisjes tussen de palmen en bananen.
Zondagochtend 14 juli vieren we met de Seaquest bemanning eerst de verjaardag van Thijs met cake en pannekoekjes. Thijs wordt ontzettend verwend. Het is weer heel gezellig.
Op maandag, de 15-de, gaan we al om vier uur anker op voor een tocht van 70 mijl naar Sawu. Zoals inmiddels gebruikelijk, varen we afwisselend op de zeilen en de motor. Om vijf uur liggen we voor Seba weer achter ons anker.
De volgende dag proberen we een auto en gids te regelen om wat meer van het eiland zien. Maar eerst iemand zien te vinden die een paar woorden engels verstaat. Via een politieman komen we op het politie bureau en vervolgens bij het hoofd van de politie terecht.
Die begrijpt dat we vervoer zoeken en verwijst ons naar het “Ministerie van Telecommunicatie en Transport”. We worden er in een politie auto naar toegebracht. In een vrijwel lege ruimte met twee kasten, een paar tafels en wat stoelen zitten 6 mensen achter computers. Niemand spreekt iets anders dan Indonesisch. Dan bedenkt Huib-Jan dat we via het Google-Vertaal programma moeten kunnen communiceren met twee computers naast elkaar. Dat lukt. Er komt na enige tijd een vrolijke gids, die redelijk engels spreekt en er komt een truc met banken om ons over het eiland te rijden.
In Namata worden we ontvangen met een formele welkomst ceremonie. Daarna mogen we foto’s maken.
We worden gestoken in traditionele kleding (ikat’s) en hebben een ontmoeting met de regerende leider van het dorp. Die is inmiddels 85 jaar oud. Hij laat de vragen beantwoorden door een wat jongere vrouw. We zien hoe een ikat wordt geweven op de veranda van een woning. De huizen staan op palen. Onder het dak is een veranda waar je ook heerlijk op kan liggen, en in het midden is er een centrale ruimte.
Er wordt heel veel gemaakt van de zeer veelzijdige lantar palm. Deze palm kan goed tegen de droogte. Van de bladeren worden hoeden, schoenen, tassen, daken en muren gemaakt. Van het hout worden vloeren en meubels gemaakt en het sap van de oranje kleurige vrucht is een voedzaam drankje dat palm wijn wordt als je het laat gisten.
Zelf hebben we inmiddels meer zin gekregen in een koude frisdrank. Een bar of resaurant is er niet, maar na enig zoeken vinden we een winkel met koelkast waar we 6 blikjes fris kopen.
Op 17 juli vertrekken we naar Rinja, 160 mijl verder, ten westen van Flores en vlak naast Komodo, bekend van de Komodo varanen, ook wel “komodo draken” genoemd, die tot 3 meter lang kunnen worden en best gevaarlijk zijn. Het is een etmaal varen. We vertrekken rond het middag uur. Afwisselend zeilend en met de motor varend doemen de volgende ochtend de ruige groene bergen van Flores en naastliggende eilanden op, een echte “gordel van smaragd”. Het is hier mooier dan we ons hadden kunnen voorstellen.
We ankeren in het idillische Teluk Lehokhinggo, op rustig water, rondom beschermd door bergen. Er komt hier een enkele visser, verder is er niemand. Ook hier blijken de electronische kaarten (C-Map en Navionics) ca. een kwart mijl verschoven naar het oosten ten opzichte van de GPS positie. Onze Cruising Guide had daarvoor al gewaarschuwd.
De volgende ochtend zien we op het strand een paar “komodo’s” lopen. Het klopt dus echt van die draken…
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
Darwin
Zaterdag, 6 juli 2013
In Frances Bay liggen we vlakbij het centrum van Darwin. We gaan vrijdag eerst van alles naar de Indonesische ambassade voor een visum. De “Clearance Approval for Indonesian Territory” en de “sponsor letter” hebben we al geregeld via een agent in Bali. Er blijken 5 werkdagen nodig om een visum te krijgen. We leveren de papieren in en kunnen onze paspoorten volgende week donderdagmiddag weer komen ophalen.
Darwin blijkt veel meer stad dan we gedacht hadden hier in de outback van Australie.
Er zijn opmerkelijk veel meer Aboriginals dan we elders in Australie tegenkwamen en galeries met Aboriginal kunst. Het Northern Territory Museum geeft een goed inzicht in de lokale kunst, de cultuur en de geschiedenis. Duidelijk wordt de verbondenheid van de Aboriginals met hun gebied.
Vanwege het grote tijverschil, tot 7 meter, liggen de jachthavens achter een sluis. Ze zijn niet echt ingericht op passanten. Ankermogelijkheden zijn overigens prima.
Met de dinghy verkennen we de Fishermans Warf, gaan we uit eten op Stokes Hill Warf en gaan we naar de Cruising Yacht Club voor een biertje. We ontmoeten er Stewy, die voorspelt, anders dan ons weeerbericht, dat het zaterdag harder gaat waaien en dat onze ankerplaats dan onaangenaam wordt.
Als het zaterdag inderdaad wat harder gaat waaien, verkassen we naar Fannie Bay, aan de west-kant van Darwin. We liggen er voor de Darwin Sailing Club, die de hele week diverse activiteiten organiseert. Er liggen meer dan 50 jachten voor anker. De meeste wachten, net als wij, om naar Indonesie over te steken. Er is een gezellige bar en een prima restaurant.
Op zondag is er markt, onder de bomen, achter het strand. Eigenlijk een soort braderie, met veel aziatisch eten.
Op 1 juli is het Territory Day en worden we verrast op een geweldig vuurwerk langs de kust, dat de hele avond duurt.
Op donderdag halen we onze paspoorten met visum weer op. Alles ligt netjes klaar. Daarna meteen door naar de Australische douane en immigration om uit te klaren en dan zijn we klaar om te vertrekken. Alleen de wind laat nog even afweten. Maar zondag komt de wind weer terug en vertrekken we naar Indonesie, Kupang op Timor, ca. 460 mijl varen. We hopen er woensdag aan te komen.












