Van Seisia naar Darwin
Darwin, 27 juni 2013
Het is nog een heel eind langs de noordkant van Australie van Seisia naar Darwin. Ca. 700 mijl.
Op 23 juni, na de koffie, gaan we anker op. Voorspelling is O-ZO, 15-20 knopen wind voor de komende dagen, later afnemend als we in de buurt van Darwin komen.
De eerste dag is erg rommelig. Zeeen lopen door elkaar. Spitse golven. Te weinig wind om de zeilen vol te houden.
De tweede dag wordt een stuk beter. De wind neemt toe tot 22 knopen, O-ZO, en de zee wordt minder rommelig. We rollen wel, ruim voor de wind.
Als de derde dag de wind wat draait naar het zuiden, gaan we lopen als een trein en verbeteren we ons eigen dag record: 190 mijl.
Zoals verwacht neemt op 26 juni, de vierde dag, de wind af en gaat om 15:00 uur de motor weer aan.
Als we de volgende ochten om 5:00 uur via Dundas Strait de Van Diemen Gulf in varen hebben we 5 knopen stroom mee. Met 11.5 knopen over de grond vliegen we de golf in.
Onderweg zijn we een paar reusachtige schilpadden tegen gekomen. Een grote vogel heeft de laatste nacht een tijdje uitgerust op de giek.
Het geeft een goed gevoel, dat we na een jaar de draad van het zeilen weer opgepakt hebben.
Op 27 juni, net voor het donker, gaan we voor anker in Frances Bay, voor de Stokes Hill Warf in Darwin.
Topje van Australie
Seisia, Zaterdag 22 juni 2013
Gisteren hebben we het topje van Australië gerond. Bij de opkomst van de zon waren we precies bij de ingang van het Albany Channel om met opkomend tij en drie knopen stroom mee naar de andere kant te komen. 10 knopen over de grond rond Cape York.
We besluiten om niet naar Thursday Island te gaan. De Australische quarantaine heeft moeite met schepen die in de Torres straat gestopt zijn. In plaats daarvan gaan we voor anker achter Red Island (ijzer erts) bij de nederzetting Seisia.
Er is een supermarkt en een vis-club. Bij de vis-club is het feest en serveren ze in het weekend bier, wijn en burgers. Die smaken ons best goed na twee dagen op zee.
Hier nemen we afscheid van Australie’s oostkust, Queensland en het Great Barrier Reef. Het was een hele mooie tocht, 6 weken en 1200 mijl van Bundaberg naar Cape York langs mooie stranden, rondom ruige eilanden, heel veel koraal, en natuurlijk ook de nodige uitdagingen.
.
Toen we op 31 mei bij Airlie Beach wilden vertrekken bleek de ankerlier niet meer te lopen. Geen defecte schakelaar of zekering, maar de electromotor deed het niet meer. Met een lijn over de genua-lier weten we de ketting en het anker weer aan boord te krijgen en we besluiten om naar de marina van Townsville te gaan in de hoop dat we de ankerlier daar kunnen repareren. Als we in Townsville zien hoe ernstig de motor is geroest, verbaasd het ons, dat de lier het nog zo lang gedaan heeft. Reparatie is geen optie. Helaas blijkt dit type lier niet meer verkocht te worden en is het niet eenvoudig om een nieuwe motor te vinden. Na anderhalve dag bellen en zoeken op internet vinden we een nieuwe motor in Brisbane, die we laten opsturen naar de Marlin Marina in Cairns. We hopen daar over een paar dagen te zijn. Voorlopig vervangen we de ankerketting door een nylon lijn over de genualier en kunnen we weer verder.
Voor de kust van Townsville ligt Magnetic Island, zo genoemd door Capt. Cook. Kennelijk vomd hij ook al dat dit eiland een speciale aantrekkingskracht had. We ankeren er op 3 juni heel komfortabel in Horseshoe Bay naast de Seaquest, die daar al een dag is. We maken een lange wandeling langs een aantal heel erg mooie baaitjes.
Zwemmen is hier gevaarlijk. Er zijn dodelijk giftige kwallen, haaien en krokodillen. Met bordjes op het strand worden we gewaarschuwd, hoewel het ergste seizoen (de zomer) al over is. Om veilig te kunnen zwemmen zijn er langs het strand stukken met netten afgezet.
De koala beertjes, die we ook nog hoopten te zien hadden zich net verstopt.
Langs het strand staan een aantal eethuisjes. We lunchen er en eten er heel lekker mexicaans.
Op 5 juni gaan we naar Orpheus Island, 40 mijl verder. We ankeren weer heel komfortabel in Pioneer Bay, maar het weer blijft wisselvallig met weinig wind.
Als we de dag daarna met de Seaquest door het Hinchinbrook Channel naar Dunk Island varen, is het de hele dag donker en grauw. De suikerwerf en overslagplaats aan de ingang van het kanaal liggen er maar verlaten bij. Er is vrijwel geen wind. Door de buien heen zien we indrukwekkende bergen die er op een mooie dag vast heel fraai uit zullen zien. Om 15 uur ankeren we bij Dunk Island in Brammo Bay.
De volgende dag, 7 juni, krijgen we een kadootje: 25 knopen wind uit Oost-ZuidOost.
We vertrekken vroeg, om 5 uur, als het nog donker is. Tot 8 uur kunnen we heel goed zeilen, maar dan neemt de wind weer af en komen de buien terug. Om half twee liggen weer met onze nylon lijn achter het anker bij Fitzroy Island in Welcome Bay, voor een resort dat ooit heel mooi geweest moet zijn geweest, maar door een cycloon verwoest werd.
We hopen dat de electromotor voor de ankerlier inmiddels gearriveerd is in Cairns als we de volgende dag vertrekken. Op 8 juni, rond het middaguur, zijn we in Marlin Marina, waar de nieuwe motor al op ons wacht.
Cairns is een gezellige stad en we boeken er voor een week, dan kunnen we meteen onze reparatielijst verder afwerken.
Met de nieuwe motor loopt de ankerlier al snel weer als vanouds, maar met de wasmachine zit het niet zo mee. Als we de gescheurde rubber afsluiting van de deur proberen te vervangen, blijkt de hele ketel gescheurd te zijn en besluiten we om de machine maar af te schrijven en te verwijderen. Dat laatste valt nog niet zo mee, want kennelijk is de machine aan boord geplaatst toen de mast er nog niet in stond, maar om nu eerst de mast te verwijderen lijkt ons wat veel. Dus dan maar de wasmachine uit elkaar gesleuteld en in onderdelen van boord gehaald. Voorlopig gaan we verder zonder. Ook de waterverwarmer geeft geen teken meer van leven. Als we alles wat er na ta gaan is hebben gecontroleerd, vermoeden we, dat de “control unit” defect is.
We proberen een nieuwe naar Cairns te laten komen. Dat lukt helaas niet op korte termijn, zodat we het maar even zonder doen. Tenslotte blijkt het stiksel waarmee de UV-beschermingsstrip op de genua vast zit op diverse plaatsen verteerd te zijn. Voor John Fischer, zeilmaker in Cairns, is dat geen probleem. Hij komt het zeil ’s ochtens halen en brengt het ’s middags opnieuw gestikt weer terug.
Cairns is verder erg gezellig en we vermaken ons er uitstekend. We zijn in goed gezelschap met de Seaquest en bovendien ligt aan het einde van de stijger de Octopus van Paul Allen. Ook Bill Gates is op bezoek. Toen we in de marina aankwamen was er dat weekend een grote triatlon met meer dan 2000 deelnemers en met bijbehorende feestelijkheden. Er zijn veel backpackers van alle nationaliteiten en we horen regelmatig Nederlands. Er is een groot park met zwembad en picknick gelegenheden.
Na een week in Cairns tanken we diesel, vullen we ook de jerrycans aan dek en vertrekken we op 15 juni naar Port Douglas, 40 mijl verder. Op de rivier gaan we voor anker. We hebben het gevoel dat we vanuit de mangrove beloerd worden door hongerige krokodillen. Dezelfde avond nog maken we een excursie met de Lady Douglas, verder de rivier op. We zien drie wilde krokodillen, indrukwekkend groot (4 meter lang) en sloom loerend op prooi.
Op 16 juni vertrekken we na een korte stop bij Low Islets voor de kust van Port Douglas, naar Lizard Island, 100 mijl verder. We ankeren in Watson Bay.
Lizard Island is mooi en heeft alles wat het Great Barrier Reef te bieden heeft. Prachtig koraal, met alle vissen uit het groot-aquarium-boek, mooi strand en een wandelpad naar de top van het eiland: Cook’s Lookout, anderhalf uur heen en anderhalf uur terug.
Capt. Cook beklom deze berg om zijn route te verkennen. Hij wilde niet nog een keer op het rif lopen. Hij noemde het eiland naar het enige levende wezen dat hij er tegen kwam, de Lizard.
19 juni, na de middag, gaan we op weg naar Escape River. 300 mijl noordelijker, onherbergzame kust, pal voor de wind, onrustige zee. De route slingert tussen riffen en eilanden door. Ook is er vrachtverkeer en blijven we voortdurend bezig.
Als we op 21 juni bij de opkomst van de zon bij Escape River aankomen is het laag water en keert de stroom net gunstig om door het Albany Channel verder te varen. We ronden Cape York en ankeren om 11:15 uur voor Seisia achter Red Island.
.
.
.
.
.
.
.
.
Whitsunday Islands
Airlie Beach, Donderdag 30 Mei 2013
De eilanden zijn mooi, de stranden zijn mooi, en alle mooie ankerplekjes liggen op een paar uur zeilen van elkaar. Het wisselvallige weer levert soms mooie plaatjes op zoals hier, voor de marina van Airlie Beach, net ten Westen van Abel Point, met dank aan Debbie van de “Boomerang”.
Van Mackay waren we naar Brampton Island gevaren, waar we om half zes, net voor het donker ankerden in Dinghy Bay. De voorspelling was dat de wind ‘s nachts zou draaien, zodat we aan lagerwal zouden komen te liggen. En dat klopte. Als het weer licht is verrekken we de volgende dag dan ook snel naar Thomas Island en de dag daarna naar Shaw Island.
Vanuit de baai waar we ankerden, achter Burning Point, zou er een track moeten zijn naar de andere kant van het eiland. Die track is er niet, maar door het struikgewas baanden we ons een weg samen met de bemanning van de Seaquest en de Debutante. Aan de andere kant hebben we een fraai uitzicht op een paar van de vele Whitsunday eilanden.
Vervolgens varen we langs Hamilton Island door de Dent Passage naar het Whitsunday Island waar we ankeren bij Cid Harbour in Sawmill Bay. Het is er mooi, maar het weer blijft druilerig. We denken dat het in Airlie Beach misschien leuker zal zijn.
We ankeren op 27 mei om 13:00 uur voor Airlie Beach, net buiten de marina. Als het wat opklaart liggen we onder een prachtige regenboog.
Naar het Great Barrier Reef
Mackay, Vrijdag 17 mei 2013
Luna Verde ziet er weer piekfijn uit. Als ook nog de Seaquest wegens wind en golven besluit om vanuit Nieuw Zeeland de koers te verleggen naar Bundaberg, zijn we weer helemaal kompleet.
Volgens instructies van Rob Wink vervangt Thijs samen met Huib Jan de membranen van de watermaker. De nieuwe membranen hadden we uit Nederland meegebracht. Het water, dat we zelf maken, smaakt nu weer perfect.
Dan is het wachten op beter weer. Het waait nog hard en er is veel regen.
.
Zondag 12 mei klaart het op. Met de opkomst van de zon vertrekken we om 6 uur met de Seaquest en de Debutante in de richting van het Great Barrier Reef. Het Great Barrier Reef begint 300 mijl noordelijker en strekt zich uit tot de Torres Straat, 1000 mijl verder.
Jack, Jerry en Casy (Jaap, Gerard en Kees) van de Debutante uit Tasmanie waren twee weken onze buren. Ze vonden het leuk om met ons weer Nederlands, de taal van hun ouders, te praten. Bovendien stookt Casy samen met zijn vrouw een excellente Single Malt Wiskey en brengt die onder eigen naam “Overeem” in beperkte oplage en in genummerde flessen op de markt. Tijdens een reuze gezellig avondje aan boord van Luna Verde hebben we zelf vastgesteld dat die wiskey inderdaad heel bijzonder lekker is.
Na zes maanden pauze, varen we de eerste dag 63 mijl tot Pancake Creek. Met golven van 2 meter en 7 seconde en de wind pal van achteren slingert het behoorlijk.
We komen langs Round Hill Creek waar Capt. Cook in 1770 voor het eerst aan land kwam in wat later Queensland zou worden. Dit is de Coral Coast met talloze kreken, baaien en eilanden. Als je dat zou willen, is deze kust helemaal te bezeilen in dagtochten.
Voor het donker liggen we in Pancake Creek achter ons anker. Het geeft een voldaan gevoel weer op weg te zijn. De generator draait en Wilma maakt een stoofschotel. We willen de volgende ochtend als de zon weer opkomt, verder varen naar de Keppel eilanden.
Geheel volgens de voorspelling is er de volgende ochtend weinig wind. Op motor en zeil varen we langs de haven van Gladstone aan de monding van de Fitzroy rivier. We banen ons een weg tussen tientallen bulk-carriers door, die daar voor anker liggen. Het is leuk om te zien hoe er met een helicopter loodsen af en aan worden gevlogen.
Dan naar Keppel Bay, langs Cape Capricorn, zo genoemd omdat de kaap precies ligt op de “Tropic of Capricorn” (23° 30’). We passeren dus de Steenbokskeerkring en dat betekend dat we weer in de tropen zijn. Het is hier nu nog fris, 25 °C.
.
De Keppel baai is bezaaid met eilanden. Het grootste heet Great Keppel Island, ooit vol met schapen, nu een “toeristische trekpleister”. Het is er erg rustig. We ankeren voor het prachtige Leeke’s Beach, naast de Seaquest, waar we aan boord gaan voor een “sundowner”.
Het dreunt in de verte. Geen onweer, maar de marine oefent. Verder is het stil. We hebben Leeke’s Bay voor ons alleen en besluiten om er een dagje te blijven. Het waait niet.
Woensdag 15 mei, half bewolkt, mooie luchten met in verte een bui. Er staat krap 12 knopen wind, nog steeds uit zuid-oost, dus recht van achteren. Met de motor op 2200 toeren gaan we 6.5 knoop en met het grootzeil erbij 7 knopen naar Pearl Bay, 45 mijl verder. De baai doet zijn naam eer aan. Het is er heel mooi. We zijn omringd door hoge beboste heuvels afgekant met een fraai zandstand.
Die avond worden we tot onze grote verrassing uitbundig onthaald op de Seaquest, waar Janet, Huib Jan, Maren en Linde zich hebben opgemaakt om de gemiste verjaardag van Wilma te vieren.
De volgende ochtend is het grauw, mistig, windstil en het regent. Zelfs de mooiste baai wordt dan triest. Op de grip-files zien we dat er een front passeert met veel regen en een beetje wind. Daarna is er geen wind meer voor de volgende vier dagen. We houden het in Pearl Bay voor gezien en vertrekken ’s middags om 4 uur op de motor richting Mackay. Het is een aarde donkere nacht zonder maan en sterren. We vertrouwen op de AIS en radar. Als het licht wordt varen we weer tussen de voor anker liggende bulk-carriers door naar de haven van Mackay.







